Boeken

De Foudgumse School: academie voor figuratieve schilderkunst.

Redactie: G.I.W. Dragt, sept. 2013

Rijk geïll., 60 pp. Prijs € 12,45

 

De Foudgumse School: de kleinste en noordelijkste academie voor figuratieve schilderkunst. Zo noemt Peter B. van Houten (1943) zijn School die hij in 2010 oprichtte en waar gevorderde studenten in diverse disciplines les kunnen krijgen. De School biedt een driejarige opleiding en een tweejarige Master voor vakstudenten beeldende kunst.
In 2013 studeerden de eersten af en naar aanleiding daarvan werd in het Dokkumer museum een tentoonstelling georganiseerd.
Deze publicatie geeft informatie over het werk van de tweede- en derdejaars studenten, de vakdocenten en Peter B. van Houten zelf.
 
 

Macht en pracht van een Dokkumer burgemeester rond 1700.

Auteur: G.I.W. Dragt, sept. 2013

Rijk geïll., 160 pp. Prijs € 29,50

 

Dokkum is een prachtig stadje, besloten binnen een aarden verdedigingswal die eind 16de eeuw werd aangelegd. Op zes plaatsen is die wal extra beveiligd door een bastion of bolwerk, een uitspringend verdedigingswerk. Eén van deze dwingers, zoals ze in het noorden genoemd worden, draagt de naam van een Dokkumer burgemeester: de Van Aitzema dwinger. Hij overleed drie eeuwen geleden. Maar in de sfeervolle straten van Dokkum zijn diverse huisgevels te vinden die er in zijn dagen al waren. Staande op de Zijl heeft ook hij kunnen opkijken naar de hoge renaissance gevels die, in de tijd dat hij zijn politieke carrière in Dokkum begon, al zo’n 60 jaar oud waren.
Hij woonde aan de Oranjewal, vlakbij de dwinger die naar hem genoemd is omdat hij die van de stad mocht gebruiken. In 1694 kocht hij er nog een statig huis (Mockema Zathe) in Aalsum bij, ‘onder de rook’ van Dokkum. De weg ernaartoe liet hij op eigen kosten met bomen beplanten, alsof het de oprijlaan van zijn huis was. Rond 1700 was hij verreweg de rijkste man van Dokkum. En door zijn relaties met het stadhouderlijk hof en zijn hoge functies in de landelijke politiek, was deze Dokkumer burgemeester zeer invloedrijk.
Hij gedroeg zich, lijkt het, als de onderkoning van Dokkum. Hij had een stoet aan personeel, sommigen in livrei. Dat is te zien op een schilderij uit 1697, dat hij liet maken ter gelegenheid van een belangrijk diner in zijn huis. Lange tijd is gedacht dat zijn gast de tsaar van Rusland was, op doorreis in Dokkum. Maar die was het niet, al blijft zijn identiteit ook in deze publicatie onopgelost. Wel wordt een duidelijker beeld gegeven van de burgemeester zelf en van de gouden penning die, op zijn initiatief, vanaf 1705 een nieuwe burgemeester ten deel viel. www.museumdokkum.nl / www.historia-doccumensis.nl
 
 
  • omslag boekje Cees Booij

Cees Booij: colorist in Dokkum.

Auteur: G.I.W. Dragt, febr. 2013

Rijk geïll., 90 pp. Prijs € 16,00

 

Uitgave bij de gelijknamige expositie in het museum maart - sept. 2013.
Cees Booij, 70 jaar geworden in 2013, is sinds 1965 in Dokkum woonachtig en werkzaam. Hij studeerde af aan de kunstacademie van Tilburg, waar hij ook zijn vrouw Hiske van der Sande leerde kennen. Veertig jaar was hij leraar tekenen, schilderen en kunstgeschiedenis aan het Christelijk Lyceum Oostergo. Naast dit docentschap bouwde hij een omvangrijk en divers oeuvre op. Vrij werk, veel met het Friese landschap als uitgangspunt, niet zelden in groot formaat. Ook maakte hij vele portretten in opdracht. Soms tamelijk realistisch, dan weer bijna abstract. De stijl herinnert dikwijls aan het impressionisme. Maar in ieder geval altijd met een enorme aandacht voor kleur.
In dit boekje wordt aandacht geschonken aan het milieu waaruit hij kwam. En er wordt een overzicht geschetst van zijn werk uit de periode van circa 1960 tot heden. Aan zijn schilderscarrière van zo’n 50 jaar is bepaald geen eind gekomen. Sinds zijn pensionering in 2005 is zijn productiviteit alleen maar toegenomen. En nog steeds etaleert hij daarbij, zoals een kunstcriticus in 1984 al eens schreef, een schildersvreugde waar maar weinigen tegenop kunnen.
 
  

Friese vissersvrouwen hadden de broek aan.
Auteur: G.I.W. Dragt 2013
Rijk geïll., 42 pp. Prijs € 8,45

 

Uitgave naar aanleiding van een lezing op 26 januari 2013 voor de Nederlandse vereniging voor Kostuum, Kant, Mode en Streekdracht over Friese vissersvrouwen die vroeger gekleed gingen in mansbroeken als ze op het wad wormen gingen zoeken.

Voor een beter begrip van de noodzakelijkheid van deze werkkleding wordt in dit boekje kort ingegaan op de specifieke visserij waarvan die een onderdeel vormt. De vissersvrouwen moesten hun mannetje staan en hadden het bepaald niet minder makkelijk dan de mannen. Dat ze daarbij soms mannenkleding moesten dragen, deden ze uit noodzaak en traditie en ze voelden zich er dikwijls onplezierig bij.

Social Media in 19e-eeuws Dokkum.

Vijf vriendenalbums uit 1830-1850.

Auteur: G.I.W. Dragt 2012

Rijk geïll., 152 pp. Prijs € 24,95

 

Twitteren, Facebook, LinkedIn en dergelijke zijn onderdelen van de sociale media die tegenwoordig zo belangrijk geacht worden. Uiteraard had men die niet in het 19e-eeuwse Dokkum, maar de vriendenalbums kunnen wel degelijk als voorlopers ervan beschouwd worden.

Vijf van dergelijke losbladige albums worden hier behandeld. Ze werden aangelegd in de periode 1830-1850. Het is de tijd waarin de Belgische onafhankelijkheidsoorlog plaatsvond. Maar ook is het de tijd die Biedermeier genoemd wordt, met veel nadruk op burgerlijke gezelligheid en vrouwelijke handwerken. De albums met hun versjes, motto’s, handwerkjes en tekeningen hoorden hoofdzakelijk tot het domein der jongedames. Toch is er ook een bij van een Dokkumer jongeman. Voor de meesten geldt dat ze met het album begonnen vanaf een jaar of vijftien en dat ze ermee ophielden zodra ze gesetteld waren. Ze kregen het album niet van hun ouders, maar van hun schoolhoofd. Ga maar netwerken, lijkt de opdracht geweest te zijn. Een verbindend element tussen de albums is dat ze ontstonden in een doopsgezind of progressief hervormd milieu: Dokkums upper ten met burgemeesters, statenleden, notarissen, predikanten. Het betreft koopmansdochter Geeske Fockema; Carolien Schonegevel, dochter van een rechter; haar nicht Bet van der Herberg; de predikantendochter Nans Hugenholtz; en Petrus van Steenwijk, die zelf wijnhandelaar werd.

De meer dan 150 album-contribuanten uit het hele land, veelal met genealogische gegevens, zijn terug te vinden via een namenindex. Maar ook de rol van de kostschoolhouders, de herkomst van de versjes (o.a. van Hieronymus van Alphen, de doopsgezinde dichteres Francijntje de Boer, de Bijbel) en de vele familieanekdotes, inclusief het enkele zwarte schaap, maken deze publicatie voor een breed publiek interessant.

  • omslag voorkant

Rondom de merklap (1761) van een Dokkumer dame in de dop:

Geeske Bekius-Suidema (1751-1832).

Auteur: G.I.W. Dragt 2012

Rijk geïll., 90 pp. Prijs € 14,95

 

De merklap die het Dokkumse meisje Geeske Suidema in 1761 maakte als onderdeel van haar opvoeding is eigenlijk een egodocument dat leest als een boek. De geborduurde doek van ongeveer 50 x 40 cm is een topstuk binnen de collectie merklappen die het museum bezit. Met ruim 50.000 steken in meer dan 20 kleuren vertelde ze ons veel over wie zij was en uit welk milieu ze kwam.Dat ze uit een gegoed milieu kwam is te zien aan de kwaliteit van de gebruikte materialen. En doordat ze uit een bekende Dokkumer familie kwam zijn veel van de initialen die ze op haar lap borduurde te herleiden tot de namen van de personen die tot haar omgeving behoorden. Ooms en tantes, neven en nichten, de handwerkjuf en haar man: allen gaf zij een plaatsje, maar wel in een duidelijke rangorde. 

Geeske’s vader was een Groninger die het tot burgemeester van Dokkum bracht; haar moeder kwam uit het voorname boerengeslacht Van Kleffens. En doordat Geeske enig kind bleef en door hun welstand konden zij haar alles geven op gebied van opvoeding en luxe wat toen mogelijk was. Een prachtige zilveren chatelaine die ze kreeg toen ze 20 was getuigt daarvan. Hetzelfde geldt voor de paar kledingstukken die van haar bewaard bleven: mooier kon men het toentertijd niet kopen. Geeske Suidema was een echte Friezin die getuige het enige portret dat van haar bekend is in de Friese dracht gekleed ging. Ze trouwde met de predikantenzoon François H. Bekius en kreeg vier kinderen. Zoon François werd ook predikant, net als diens kleinzoon, de bekende François Haverschmidt (Piet Paaltjens). Geeske’s schoonvader was het zwarte schaap van de familie. Deze ‘duivel-dominee’ werd afgezet als predikant en heeft, volledig berooid, jaren bij haar ingewoond. Geeske overleed op 81-jarige leeftijd in het huis dat haar man dankzij een forse erfenis in Dokkum kon laten bouwen.

Pier Feddema (1912-1983):

skilder, skriuwer, stânfries.

Auteur: G.I.W. Dragt 2012

Rijk geïll., 68 pp. Prijs € 14,95

 

Publicatie ter begeleiding van de gelijknamige expositie in het museum. Aanleiding was de 100ste geboortedag van de schilder. Na enige informatie over zijn jeugd (hij werd geboren op een boerderij buiten Anjum, vlakbij Oostmahorn) en opleiding in Dokkum zal ingegaan worden op zijn ontwikkeling tot zelfstandig kunstenaar. Hoewel hij na zijn pensionering in 1977 als leraar tekenen in Drachten alle tijd kreeg om zich aan zijn roeping te wijden, oogstte hij toch het meeste succes in de vijftiger en zestiger jaren. Hij was een van vijf kunstenaars die in die tijd een hechte vriendschap ontwikkelden en gezamenlijk opereerden onder de naam Yn ’e line. Dat betekent zoveel als ‘in de lijn staan’ of in het gareel lopen, een beeld ontleend aan de vaart met trekschuiten. In die periode schreef hij ook twee boeken; in het Fries natuurlijk, want Pier was wat je noemt een echte Fries.

  • foar dy leave

Foar dy, leave:

Engelse hondjes op Friese schoorsteenmantels.

Auteur: G.I.W. Dragt 2012

Rijk geïll., 60 pp. Prijs € 13,95

 
Foar dy, leave (Voor jou, lieverd) zijn de gefantaseerde woorden waarmee een Friestalige zeevisser uit Moddergat of Wierum zijn souvenirs aan zijn geliefde thuis overhandigde. De ondertitel Engelse hondjes op Friese schoorsteenmantels geeft aan dat vooral de figuurkeramiek uit Engeland populair was en in de visserswoningen een plaats vond op de schoorsteenmantel. Van allerlei hondenrassen werden beeldjes gemaakt, die door de Engelse middenklasse gretig werden afgenomen en meestal voor de ramen gezet. Toch was een der populairste dat van de spaniël, het kleine langharige hondje dat in Engeland door de adel al eeuwen gefokt werd als gezelschapshondje. De populariteit bij de massa was te danken aan koningin Victoria, die Engeland regeerde van 1837-1901. De jonge koningin was erg geliefd en het beeld van haar lievelingsspaniël Dash, die de eenzaamheid van haar jeugd verdreef, werd verspreid via schilderijen, gravures en borduurpatronen. De pottenbakkers van Staffordshire speelden hierop in door beeldjes van spaniëls te maken, steeds als een paar naar elkaar toegekeerd. Het bleken bestsellers te zijn, die tot de Eerste Wereldoorlog in zeer grote aantallen gemaakt werden. 
 
Hoe de vissers uit Noordoost-Friesland en elders uit Nederland aan deze hondjes kwamen? In de tijd dat visserij vanuit het eigen dorp steeds minder lonend werd, monsterden velen aan op schepen van bijvoorbeeld Vlaardingse reders, die bij de noordelijke Shetlandeilanden op haringvangst gingen. Van ongeveer 1890 tot 1915 kochten zij in de hoofdplaats Lerwick hun souvenirs. Onkundig van het feit dat veel van dat goedkope aardewerk over de ruggen van de (vaak heel jonge) arbeiders vervaardigd was. De spaniëls uit de collectie van museum ‘t Fiskershúske staan in dit boekje centraal. Voor verzamelaars van dergelijke honden zijn er veel nuttige gegevens en prachtige foto’s in opgenomen.
 
  • De admiraliteit in Dokkum

De admiraliteit in Dokkum 1597-1645.

Auteur: G.I.W. Dragt 2012 

Rijk geïll., 44 pp. Prijs € 12,00

 
De Admiraliteit van Friesland heeft van 1597 tot 1645 in Dokkum gezeteld, dus nog geen halve eeuw. Maar 350 jaar later is Dokkum er nog steeds trots op en wordt de periode van de admiraliteit in Dokkum beschouwd als een belangrijk hoofdstuk in de geschiedenis van ons stadje. In 1645 werd de admiraliteit verplaatst naar Harlingen, waar in het jaar 1771 tijdens een grote brand de admiraliteitsgebouwen en alle archieven verloren gingen. Het oude admiraliteitsgebouw in Dokkum dat bewaard bleef, althans een uitbreiding uit 1618, is daardoor des te belangwekkender. Ondanks de brand is er toch nog voldoende over om een behoorlijke indruk te krijgen van wat de admiraliteit betekende voor Dokkum en hoe deze functioneerde. Dat beeld wordt bijvoorbeeld verkregen door de archieven van Staten-Generaal en die van Gedeputeerde Staten van Friesland. Maar bovendien zijn er twee notulenboeken bewaard gebleven uit 1599 en 1601, die ten tijde van de brand in particulier bezit waren, bij familie van een der raadsleden van het toenmalige college. Vooral daaruit is heel interessante, vaak zeer spannende en directe informatie te verkrijgen.

Het herenhuis van Helder (1773) aan de Dokkumer Ee.

Auteur: G.I.W. Dragt 2012

Rijk geïll., 82 pp. Prijs € 14,50

 

De rijke houthandelaar Jan Helder (1727-1807) liet in 1773 een fraai herenhuis bouwen op een plek even buiten de omwalling van de stad Dokkum aan de vaarweg naar Leeuwarden. Hij was toen al wat ouder en weduwnaar maar nieuw geluk wachtte hem in de vorm van een huwelijk datzelfde jaar met de weduwe Dieuwke Jelles. Voor de inrichting keek hij niet op een dubbeltje: prachtig houtsnijwerk en een monumentale schouw met een groot tegeltableau waren er onderdeel van.

Het herenhuis van Helder bestaat niet meer, maar een deel van de inrichting bleef gespaard en werd in 1938 gebruikt om de nieuwe burgemeesterskamer in het stadhuis mee in te richten. Het prachtige tegeltableau van de hand van de Harlinger Pals Karsten, dat tot de top van de 18e-eeuwse Friese tegelbeschildering behoort, heeft altijd al de nodige aandacht getrokken. Hier wordt het door Ihno Dragt, directeur van het Dokkumer streekmuseum, uitgebreid beschreven.

Maar dat het houtsnijwerk, besteld door Jan Helder van de hand van de getalenteerde Yge Rintjes is, dezelfde die het snijwerk in de raadzaal van het stadhuis maakte, dat werd nog niet eerder gepubliceerd. Dit is de verdienste van Sytse ten Hoeve, oud-directeur van het Fries Scheepvaartmuseum te Sneek. Men had daardoor in 1938 niet in de gaten hoezeer de bouwfragmenten uit het herenhuis van Helder in het stadhuis op hun plaats waren.

Toevalligheden in plaats van beleid spelen helaas maar al te vaak een rol bij het behoud van monumentale Friese interieurs. Veel ging voorgoed verloren door desinteresse of onkunde. Soms vonden onderdelen buiten Friesland een plaats, zoals een Dokkumer betimmering die zich nu in paleis Het Loo bevindt. Het lot van dergelijke interieurs staat momenteel weer volop in de belangstelling. Belangrijk is vooral kennis, bij een breed publiek, over wat er was en nog is. Deze rijk geïllustreerde publicatie kan daar zeker aan bijdragen.

Dokkumer kralencocktail:

verrassende variëteit aan kralen in een museumcollectie, 500-2000 A.D.

Auteur: G.I.W. Dragt 2011

Rijk geïll., 96 pp.  Prijs € 16,50

 

Kralen zijn bijna net zo oud als de mensheid. Vele millennia lang waren het alleen doorboorde schelpen, zaden, hout, been en dergelijke. Zo’n 6000 jaar geleden werden de eerste kunstmatige kralen gemaakt van klei. Nog weer eeuwen later deed glas zijn intrede en begon aan een zegetocht die duurt tot de dag van vandaag.

Wie op internet naar ‘kralen’ zoekt, krijgt meer dan 4,5 miljoen hits. In veel plaatsen is tegenwoordig een speciale kralenwinkel, waar kralen per stuk worden verkocht. Publicaties zijn er legio. Wat heeft het Dokkumer museum hier aan toe te voegen?

In dit boekje wordt getoond wat dit museum aan kralen in de collectie heeft. Niet meer en niet minder, maar van een verrassende variëteit. Een cocktail van kralen, daterend uit een periode van 1500 jaar. Kralen bedoeld voor de sier (kettingen en armbanden), borduurkraaltjes en kralen voor op kleding en accessoires.

Ontroerend is de aanblik van het skeletje van het ongeveer negenjarig meisje, dat rond 500 in het nabijgelegen Oosterbeintum werd begraven met een lang kralensnoer op haar borst gelegd. De 17de eeuw is met enkele bodemvondsten van kralen vertegenwoordigd. Maar de meeste kralen dateren uit de 19de eeuw. En allemaal vertellen ze hun eigen verhaal.

Zo bleek het portret van een rijke Friezin postuum geschilderd te zijn; ze was gestorven in het kraambed (1824). En haar treurende echtgenoot liet haar afbeelden in vol ornaat, met haar granaten kralenketting en -armbanden. Maar die mooie ketting van glasgranaten met gouden slot uit 1864 bleek juist een geboorte te vieren. Geschonken door de 55-jarige rentenier toen zijn 33 jaar jonge vrouw hem een stamhouder schonk.

Kralen van allerlei materialen, kralen met verhalen. Zo was het vroeger en zo is het nog steeds.

  • Nel Kamphuis omslag

De fascinerende vissen van Nel Kamphuis.

Auteur: G.I.W. Dragt 2011

Rijk geïll., 90 pp. Prijs € 12,95

 

Nel Kamphuis (1954) is dochter van een dominee die van 1946-1949 Wierum als standplaats had. Daar werden ook enkele kinderen geboren en dat maakte dat het gezin echt tweetalig was. De oudste kinderen zouden altijd onderling Fries blijven spreken. Nel hoorde bij de Nederlandstalige kinderen. Toen ze de vijftig begon te naderen gaf ze een rigoreuze wending aan haar leven. Ze was op haar 23ste afgestudeerd aan de pedagogische academie en had daarna lesgegeven en zich aan een gezinsleven gewijd. Maar in 2002 deed ze toelatingsexamen voor de ArtEz/Hogeschool voor de Kunsten te Arnhem en werd aangenomen. Ze schaamde zich bijna, want er waren 60 - vanzelfsprekend hoofdzakelijk jonge - kandidaten van wie er maar drie 'uitverkoren' werden.

Ze koos de richting van de autonome kunst. Daarbij is een grote mate van zelfstandigheid vereist. Het is een brede opleiding, waarbij allerlei disciplines worden ingezet. In 2007 won ze een door de Saxion Hogescholen ingestelde kunstprijs voor de best afgestudeerde kunstenaar van de regio Overijssel. Dit resulteerde in een opdracht voor een kunstwerk dat in 2009 geplaatst werd in de hal van de Saxion Hogeschool te Deventer. Het werk, getiteld Vogelvrij, bestaat uit 20 panelen met daarop rondfladderende vogels. Ze symboliseren de jongeren die nog zoekende zijn naar hun weg in de maatschappij en doen sterk denken aan de fantastische zeewezens die Nel speciaal voor de expositie in museum 't Fiskershúske maakte.

Nel Kamphuis heeft inmiddels op diverse plaatsen in Nederland geëxposeerd en haar werk is door instanties, galeries en particulieren aangekocht. In 2011, vlak voor de expositie in museum 't Fiskershúske van haar Fascinerende Vissen, heeft ze haar atelier van Deventer naar Eext verplaatst.

 

  • Reddingstation Moddergat

Aan de vissers heeft het niet gelegen...

Het reddingstation van Moddergat (1878-1942).

Auteur: G.I.W. Dragt 2011

Rijk geïll., 132 pp. Prijs € 21,50

 
In deze uitgave staat het reddingstation van Moddergat centraal. Vandaar uit werden 64 jaar lang pogingen ondernomen om met een reddingboot, roeiend of zeilend, mensen te redden die met hun schip in moeilijkheden gekomen waren. Het werd in 1878 gebouwd, deed dienst tot 1942 en staat er nog steeds, zij het in slechte staat. Maar ook de voormalige reddingboot van Moddergat heeft de tand des tijds moedig doorstaan. In 2011 keerde hij in het dorp terug om gerestaureerd te worden. De wat excentrieke maar vooral ook rijke Makkumer kamergeleerde Lieuwe Annes Buma had 12.000 gulden nagelaten aan de Noord- en Zuid-Hollandsche Redding-Maatschappij, om daarmee een eerste station op Fryslâns vaste wal te vestigen. En deze maatschappij koos voor Moddergat, in de eerste plaats vanwege de vele schipbreuken die er plaats vonden op de Engelsmanplaat, gelegen tussen Schiermonnikoog en Ameland. Maar een andere motivatie voor deze keus was dat de geharde vissers van Paesens en Moddergat (en het nabijgelegen Wierum) al ervaring hadden met reddingen en het gebied op hun duimpje kenden. Diverse bewaard gebleven medailles en oorkonden getuigen daar nog van. Deze vissers vormden de logische bemanning van de L.A. Buma gedoopte reddingboot.
 
Ondanks Moddergats strategische ligging was er één niet onbelangrijk obstakel dat bij reddingspogingen voor oponthoud en bovendien voor veel extra werk zorgde: de zeedijk. Ook was deze ‘verkeersdrempel’ niet ongevaarlijk. In 1901 viel de reddingboot vanaf de top van de dijk op de eronder gelegen huizen en raakte zwaar beschadigd. Eerst kwam er een oude boot als vervanging. Maar in 1911 werd er te Katwijk aan Zee weer een speciaal voor Moddergat gebouwd: de L.A. Buma III, waarmee ook gezeild kon worden. Spectaculaire reddingen, zoals met de legendarische motorreddingboot Insulinde, met thuishaven in Oostmahorn vanaf 1928,
heeft het station van Moddergat niet gekend. Maar elke geredde is er één en aan de vissers heeft het zeker niet gelegen.
Zij waren er voor de drenkeling, weer of geen weer, hoe hoog en dreigend de golven ook op hun roeiboot afkwamen.
  • Slotakkoord

Slotakkoord aan de 19de eeuw: 

Het Dokkumer muziekfeest van 1897.

Auteur: G.I.W. Dragt 2011

Rijk geïll., 88 pp. Prijs € 14,95

 

Op pinkstermaandag 7 juni 1897 was het groot feest in Dokkum. Het Dockumer Muziekcorps der dienstdoende Schutterij was de organisator en had meer dan 10 korpsen uit Friesland en èèn uit Enkhuizen uitgenodigd. Het festijn duurde twee dagen en het was een echt volksfeest. Niet alleen trilde de stad als een stemvork van al die muziek, maar er was ook de spanning voor de jeugd door wedstrijden als mastklimmen en hardlopen met hindernissen. En `s avonds werd er gedineerd, waren er concerten en was er dansen in de openlucht. Als klap op de vuurpijl, heel letterlijk, was er ter afsluiting een groots vuurwerk. Jong en oud vergaapte zich aan het Draaiend Fonteinbuffet, de Bengaalse verlichting en de bommen, luchtslangen, vuurpijlen en zwermpotten.
Niets werd door de organisatie aan het toeval overgelaten. Er werd een mooie Feestgids gedrukt die het hele programma bevatte en maar 10 cent kostte. Het stond bol van de advertenties, waaronder diverse van cafés en drankenwinkels (dat laat zich raden). Een aantal ervan is opgenomen in deze publicatie. Maar het waren de foto's van de optocht van de korpsen door de straten van Dokkum die de aanleiding vormden voor deze publicatie. Ze horen tot de vroegste voorbeelden in Dokkum van de reeksen foto's van een bepaald evenement. Ze laten het optreden zien van het muziekkorps, dat weliswaar zelfstandig was, maar nauw verbonden aan de schutterij.
Daarom gaat dit boekje, dat vooral veel, oude foto’s wil laten zien, ook over de schutterij. En dan met name over de Luitenant-Kapelmeester Anthonie J.Wolters (1854-1916), die decennia lang de leiding had over het muziekkorps. Deze schoonzoon van Dokkums burgemeester was zo geliefd, dat zijn begrafenis een minister waardig was, zoveel mensen kwamen er.
 

  • Dolsters

Bijdehande, blauwoogige dolsters: 

Onmisbare schakels in de Friese beugvisserij van de 19de eeuw.

Auteur: G.I.W. Dragt. 2011

Rijk geïll., 84 pp. Prijs € 14,50

 

Bijdehand en blauwoogig, zo werden de jonge dolsters van Wierum omschreven in een krantenartikel uit 1893, kort na de stormramp die het dorp trof. En de bevolking van het eigenaardige dorp werd getypeerd als onbedorven en hoogst sympathiek. De auteur waande zich in een andere wereld en dat was het misschien ook wel. De vissersdorpen in het noordoosten van Fryslân, met name Wierum en Moddergat, bevonden zich op de rand van een nieuwe tijd. Veel zeer oude tradities zouden na 1900 verdwijnen. Daar hoorde ook het opgraven (dollen) van wadwurmen bij door vissersvrouwen die hun rokken verruild hadden voor een broek. Voor een maatschappij, die het nog niet gewend was dat vrouwen de broek aan hadden, was het beeld van dolsters op het wad een bron van verbazing. Dat was het op Ameland, want daar was een soortgelijke visserij, toen in 1734 de prins van Oranje Nassau er op bezoek kwam. Hij werd vergast op de aanblik van dolsters, in een zeer zeldzame en ongewone kleding uitgedost, met mansbroeken aan. En dat was het nog steeds rond 1900.

Dolsters groeven niet alleen de wurmen op, maar deden ze ook aan de haken in het kader van de zogenaamde beugvisserij op schelvis en kabeljauw. Dat was een in heel Nederland en ook daarbuiten gebezigde vorm van visserij, waarbij gebruik werd gemaakt van een kilometerslange lijn die al zeilend op de zeebodem werd neergelaten. Aan die lijn zaten, als knijpers aan de waslijn, korte dwarslijntjes met een haak, strikken of sneuen genaamd. De sneuen werden door de vissers zelf gedraaid op bijzondere apparaatjes die in het Fries koustermoune genoemd werden. Deze mini-lijnbanen, waarvan maar een handvol is bewaard gebleven, staan samen met de dolsters centraal in dit boek. Beide onmisbare schakels in de Friese beugvisserij.
  • Miskend natuurtalent?

Miskend natuurtalent? 

Houtsnijwerk, boetseerwerk en modelbouw van de Dokkumer Gerrit Visser (1911-1998).

Auteur: G.I.W. Dragt 2010

Rijk geïll., 50 pp. Prijs € 12,45


Gerrit Visser (1911-1998) werd geboren als zoon van een turfschipper en bracht een groot deel van zijn jonge jaren op zijn vaders turfschip door. Maar omdat hij mank was zat er geen toekomst voor hem in dat zware beroep en bovendien lagen zijn aspiraties elders. Hij was een geboren knutselaar, maar zijn ambities reikten verder dan het maken van een draaimolenmodel (1943), al trok hij daarmee wel de aandacht van cultuurminnend Dokkum. Hij wilde kunst maken, met name beeldhouwwerken. Het is geen hobby, zei hij, maar een levensbehoefte. Maar noch zijn baan bij een sociale werkplaats, noch zijn optreden als accordeonist bij bruiloften en partijen, bood hem genoeg inkomsten om zijn droom op een hoger plan te tillen. Dus werden het geen grote beelden van marmer, maar kleine van gips. Pas op latere leeftijd werden deze in brons gegoten. Altijd streefde hij naar erkenning en het viel hem bitter tegen dat hem in 1966 een uitkering voor invalide kunstenaars werd ontzegd en dat later het museum geen vaste tentoonstelling van zijn werk wilde inrichten. Deze door zijn overgevoeligheid wat tragische man kende toch ook zijn triomfen. Daartoe horen een model van een trekschuit (1951) dat door de stad Dokkum aan koningin Juliana werd aangeboden; een bronzen drieluik (1967) in de Grote Kerk van Dokkum ter nagedachtenis aan het nasislachtoffer dominee Josef Cohen; scheepsmodellen in opdracht van het Dokkumer museum (1946, 1961 en 1966) en het Fries Scheepvaartmuseum te Sneek (1955). Gerrit Visser was gehuwd met een van oorsprong Hongaarse vrouw die, als zovele kinderen na de Eerste Wereldoorlog, naar Nederland kwam om aan te sterken, maar er uiteindelijk bleef wonen. Zij was zijn grootste steun en haar portret hoort tot zijn beste werk.
 

  • Een initiatief met een luchtje

Een initiatief met een luchtje:

Over garnalenfabrieken in Moddergat en Zoutkamp.

Auteur: G.I.W. Dragt 2010

Rijk geïll., 58 pp. Prijs € 9,75

 

In dit boekje wordt de geschiedenis verteld van de garnalenfabriek van Moddergat, afgezet tegen de ontwikkelingen elders, vooral in  Zoutkamp. In garnalenfabrieken werden garnalen machinaal gedroogd om daarna verwerkt te worden tot een eiwitrijke toevoeging aan voeders voor met name pluimvee. In Zoutkamp leverden de vissers meest aan handelaren, die er vijf garnalenfabrieken bouwden. In Moddergat verenigden de vissers zich in een coöperatie en lieten in 1924 zelf een garnalenfabriekje bouwen.
Met wisselend succes bleef de garnalenfabriek van Moddergat zo'n twintig jaar in bedrijf, om in 1945 aan een Zoutkamper handelaar verkocht te worden. Daarna werd het fabriekje omgebouwd tot aardappelloods. Zo ontsnapte het aan afbraak, een lot dat alle garnalenfabrieken in Zoutkamp uiteindelijk wèl trof. Dat het simpele bouwwerk in de halve eeuw daarna niet ineenstortte, mag als een klein wonder worden beschouwd.
 

  • Centsprenten

Centsprenten.

Auteur: C.Th. Booij 2010

Geïll., 12 pp. Prijs € 1,50

 

Bij de expositie over kinderprenten die in het jaar 2010 te bezichtigen was in Museum Dokkum werd dit boekje gemaakt.
Museum Dokkum bezit een collectie van meer dan 500 kinderprenten die dateren van de 17de tot de 20ste eeuw. Deze prenten stonden ook bekend onder de benaming centsprenten en dat verraadt al dat we hier te doen hebben met een categorie prenten die niet tot de duurste behoorden. Vele miljoenen exemplaren zijn er in de loop der tijden van gedrukt en er zijn ook vele bewaard gebleven in openbare collecties en soms bij particulieren. Toch stijgt hun historische waarde ver uit boven hun marktwaarde toen en nu. Zo zijn ze boeiend om de technieken waarmee ze gedrukt en ingekleurd werden en om de geschiedenis van de uitgevers. In de tijd dat er nog geen kleurendruk mogelijk was werden ze met de hand ingekleurd. Om massaproductie mogelijk te maken gebruikte men daarvoor sjablonen. Het hing dan af van de nauwkeurigheid van de verver of de kleurtjes op de juiste plek terecht kwamen en hij of zij kon zelf de kleuren kiezen. Zo zijn deze prenten, ondanks de grote hoeveelheid waarin ze verspreid werden, toch allemaal unica. En als je kleine, onbedrukte gaatjes in de afbeelding ziet, weet je dat de drukker een oud houtblok gebruikte dat aangetast was door houtworm. Door het hergebruik van oude blokken met afbeeldingen van een kinderprent kan het zijn, dat een 18de eeuwse voorstelling in de 19de eeuw werd gedrukt. Maar kinderprenten konden ook juist zeer actuele onderwerpen uitbeelden. En dat raakt een ander aspect waarom ze zo interessant zijn. De kinderprent verschaft ons een prachtig maatschappijbeeld: welke onderwerpen vond men interessant, welke opvoedkundige waarden streefde men na, hoe werden bevolkingsgroepen getypeerd, welke sprookjes of vertellingen waren gangbaar et cetera.
Hoewel het maar een fractie behandelt van het totale aantal prenten uit de museumcollectie, geeft dit boekje wel een heel aardig beeld van de verschillende aspecten van dat boeiende fenomeen van de kinder- of centsprent.
 

  • omslag ramp van Moddergat

De ramp van Moddergat: 

Het vergaan van de vissersvloot van Paesens en Moddergat op 6 maart 1883.

Auteurs: R. IJbema en H. de Haan, voorwoord en redactie G.I.W. Dragt 2008

Rijk geïll., 48 pp. Prijs € 9,75

 

Moddergat: eeuwenoude vissershuisjes nabij de plek waar het riviertje de Paesens in zee uitmondde. In een markant deel van Friesland dat al eens, samen met het nabijgelegen Lauwersmeergebied, uitgeroepen werd tot het mooiste plekje van Nederland. Maar soms ook bijna spookachtig, als het omringende gebied in zonneschijn baadt maar daar alles in zeemist gehuld is.

Op die momenten lijkt het of de zee, niet zichtbaar maar wel hoorbaar, ons mee wil voeren naar de 5de en 6de maart 1883, toen het gehuil van de stormwind zich vermengde met de wanhoopskreten van de vissers. 
Zeventien schepen gingen ten onder, 83 mannen en jongens verdronken in het ijskoude water. Ook vissers uit Urk, Zoutkamp en Den Helder lieten in dezelfde storm het leven.
 
In dit boekje wordt op indringende wijze een poging gedaan die tragedie te beschrijven. Hoe kon dit gebeuren? Wie waren die vissers die spoorloos verdwenen in de golven? Hoe liep het af met de weduwen en wezen die in armoede achterbleven? En hoe reageerde Nederland hierop? Natuurlijk wordt ook de wonderbaarlijke redding beschreven van één der vissers, Gerben Basteleur. 
 
Deze vijfde druk kwam precies 125 jaar na de ramp van Moddergat tot stand. De auteurs van de eerste drukken vanaf 1958, Roelof IJbema en Hans de Haan, waren er nog steeds bij betrokken. De nieuwe druk werd door Ihno Dragt, directeur-conservator van visserijmuseum ´t Fiskershúske in Moddergat, verlevendigd met foto’s van personen, schepen en objecten, elk met hun eigen verhaal. 
 
  • Mede namens wederzijdse ouders

Mede namens wederzijdse ouders:

Trouwen in Friesland in vroeger tijden.

Auteur: G.I.W. Dragt 1997

Geïll., 32 pp. Prijs € 5,00

 

Mede namens wederzijdse ouders of in het Fries Mei út namme fen hjar âlden: zo begon en begint nog dikwijls de tekst op kaartjes, waarmee wereldkundig wordt gemaakt dat een jong paar van plan is te gaan trouwen. Deze standaardformule leek daarom heel toepasselijk als hoofdtitel van een expositie in Museum Dokkum met als centraal thema trouwen. De subtitel van de expositie trouwen in Friesland in vroeger tijden geeft meteen de beperking aan van zowel de tentoonstelling als dit boekje, dat ter begeleiding van de expositie werd samengesteld. Over de geschiedenis van het trouwen in Friesland en de specifieke gebruiken daarbij is in 1989 een boek verschenen van de hand van Artina Oppenhuizen, getiteld Bruiloft in Friesland, dat met recht een standaardwerk op dit gebied genoemd mag worden.
In het boekje, dat nu voor u ligt, worden enkele facetten van het onderwerp aangestipt en een aantal aardige illustraties wordt afgebeeld.